Zes kilometer is redelijk voor plek nieuwe school
Het bestuur van een nieuwe basisschool in Oosterhout was niet tevreden met de huisvesting die door de gemeente beschikbaar was gesteld. Volgens het schoolbestuur lag die te ver (want ongeveer vijf kilometer) van de gewenste plaats van vestiging. Nadat eerder al de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep tegen dat huisvestingsbesluit ongegrond had verklaard, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op kerstavond het hoger beroep eveneens ongegrond. Ons kantoor stond in beide instanties het gemeentebestuur bij.
“De gewenste plaats van vestiging” - uitgedrukt in een specifiek, viercijferig postcodegebied - speelt een belangrijke rol bij de aanvraag van bekostiging voor een nieuw op te richten school. Die plaats bepaalt de ligging van het voedingsgebied dat relevant is voor de belangstellingsmeting van de nieuwe school. Als de minister de school voor bekostiging in aanmerking brengt verwijst hij daarbij nadrukkelijk naar dat postcodegebied. In deze zaak had de school gekozen voor vestiging in de wijk waarin het merendeel van haar doelgroep woonachtig was. Deze ouders waren voordien aangewezen op onderwijs van de verlangde richting in nabijgelegen gemeente Breda.
De onderwijswetgeving geeft echter geen recht op een “buurtschool”. WPO en WVO bepalen dat een gemeente ook in de huisvestingsbehoefte kan voorzien door huisvesting beschikbaar te stellen die op redelijke afstand van de gewenste vestigingsplaats ligt. Dit staat in artikel 100 WPO. De wet vult echter niet in wat onder een “redelijke afstand” kan worden verstaan. Job Keijser van ons kantoor zocht namens het gemeentebestuur aansluiting bij afstanden die wèl in de onderwijsregelgeving of in de uitvoeringspraktijk zijn geconcretiseerd:
de wettelijke begrenzing van het voedingsgebied (zes kilometer rond het gewenste postcodegebied, artikel 74a WPO);
de redelijke afstand van de scholen in het kader van richtingbezwaren (artikel 5 onder b Leerplichtwet, waarbij eveneens uitgegaan wordt van een afstand van zes kilometer) en
de minimale afstand om aanspraak te maken op bekostigd leerlingenvervoer (artikel 4 WPO, eveneens 6 kilometer).
Daarmee was een geobjectiveerde maatstaf gevonden. Vervolgens werd bekeken of concrete feiten en omstandigheden reden waren om die afstand naar beneden bij te stellen. Het schoolbestuur voerde aan dat artikel 84 WPO ten aanzien van verplaatsing van een bestaande school een afstand noemt van maximaal drie kilometer. De situatie van een bestaande school biedt volgens de Afdeling echter geen referentiekader voor de huisvestiging van een nieuwe school. Mèt de rechtbank oordeelt de Afdeling dat een afstand van ten hoogste zes kilometer - behoudens bijzondere omstandigheden - in beginsel redelijk is. Daarbij verwijst de Afdeling naar de afstand die gehanteerd wordt bij aanvragen voor kostenvergoeding leerlingenvervoer en de omvang van het voedingsgebied van een school.
Het huisvestingsbesluit bleek ook niet onevenredig. Met name niet omdat de gemeente de school zoveel mogelijk tegemoet was gekomen door tevens enkele lokalen in een naast het gewenste postcodegebied gelegen wijk toe te wijzen. Van belang daarbij is dat niet gebleken is dat de school met de toegewezen huisvesting niet zou kunnen doorgroeien naar een volwaardige school. De gemeente heeft ook voldoende gemotiveerd dat de verkeersveiligheid van de route en de parkeermogelijkheden bij het schoolgebouw niet aan de toewijzing in de weg staan. En dat plaatsing van tijdelijke units om praktische en financiële redenen geen redelijk alternatief was.
Voor vragen over de uitspraak van de Afdeling of over andere huisvestingskwesties kunt u contact opnemen met Job Keijser of Anja Bogaard.

