Student krijgt geen schadevergoeding na negatief bindend studieadvies

Universiteiten en hogescholen geven aan het einde van het eerste studiejaar aan hun studenten een bindend studieadvies (bsa). Artikel 7.8b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) verplicht daartoe. Is dat advies negatief dan moet de student de studie beëindigen. Maar heeft die student recht op schadevergoeding als hij/zij het niet met het negatieve bsa eens is? En speelt hier een rol dat het bsa aangevochten kan worden via een bestuursrechtelijke procedure terwijl een schadeclaim aan de civiele rechter wordt voorgelegd? Onderstaande uitspraak – waarbij Wilco Brussee van ons kantoor optrad namens de universiteit – geeft antwoord op deze vragen.

Het ging in deze zaak om een negatief bsa dat door de student met succes was aangevochten bij het College van Beroep voor de Examens (CBE) van de universiteit. Hij kreeg dus alsnog een positief bsa en hij kon dus zijn studie voortzetten. Voor de in de tussentijd opgetreden studievertraging werd hem door de kantonrechter een schadevergoeding toegewezen op grond van de Letselschaderichtlijn Studievertraging. Alleen het collegegeld voor het resterende deel van het studiejaar stond wat de student betrof nog aan zijn terugkeer in de collegebanken in de weg. Hij wilde dat niet betalen vanwege het eerder afgegeven negatieve bsa. Als gevolg van deze aanhoudende weigering van de student heeft de universiteit hem niet meer toegelaten. Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO, inmiddels oordeelt de Raad van State over dit soort kwesties) oordeelde in 2020 dat de universiteit de inschrijving mocht weigeren vanwege het openstaande collegegeld. De student liet het er niet bij zitten. Hij stelde de universiteit aansprakelijk voor door hem geleden schade in de vorm van verdere studievertraging en immateriële schade. Bij de rechter onderbouwde hij zijn vordering met de stelling dat de universiteit onrechtmatig gehandeld had ten onrechte een negatief bsa af te geven en herhaaldelijk en zonder deugdelijke grond te weigeren om hem weer in te schrijven.

De rechtbank Amsterdam wees de vorderingen op 14 januari 2026 de vorderingen af. Volgens de rechtbank was er geen causaal verband tussen het onterechte, negatieve bsa en de weigering om de student in te schrijven. Die weigering kwalificeert ook niet als een onrechtmatige daad omdat de rechtmatigheid ervan vaststaat door de uitspraak van het CBHO uit 2020. Deze uitspraak heeft formele rechtskracht. De rechtbank passeert de stelling van de student dat “een bestuursrechtelijke procedure niet uitsluit dat hiertegen civielrechtelijk kan worden opgekomen” omdat de student deze stelling niet onderbouwt.

Het beginsel dat een bestuursrechtelijk besluit dat formele rechtskracht heeft gekregen, doorwerkt in een civiele procedure, is al eerder in de jurisprudentie erkend. Zo heeft de Hoge Raad zich in 2004 hierover uitgesproken. In dat arrest werd overwogen dat het beginsel niet absoluut is. Er is een uitzondering op het beginsel mogelijk. Daarvoor is echter volgens de Hoge Raad “alleen dan plaats indien moet worden geoordeeld dat in de procedure bij de bestuursrechter die het bestreden besluit in stand heeft gelaten, is gehandeld in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.” Zo’n uitzondering zal niet snel aangenomen worden.

Resumerend. Het staat een student vrij om na een onterecht negatief bsa een schadeprocedure te starten bij de civiele rechter. De verwerende universiteit of hogeschool heeft in die civiele procedure een sterk argument in handen als de bestuursrechter - dat is in kwesties als deze de Raad van State die in hoogste instantie recht spreekt waardoor geen hoger beroep mogelijk is - zich reeds over de rechtmatigheid van het handelen van de instelling heeft uitgelaten. Die uitspraak heeft in beginsel formele rechtskracht. Ook bij de civiele rechter.

Volgende
Volgende

Scholen vegen seksueel wangedrag niet onder het tapijt