Schoolbestuur betaalt transitievergoeding bij arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juli 2026 zelf
Sinds de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in 2015 moet de werkgever een transitievergoeding betalen aan elke werknemer die op initiatief van die werkgever wordt ontslagen. Ook als dat gebeurt wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Daar was destijds al veel kritiek op. Tot aan de WWZ had de langdurig arbeidsongeschikte werknemer bij ontslag alleen recht op een vergoeding als de werkgever het tijdens de re-integratie al te bont had gemaakt. Bovendien betalen werkgevers bij ziekte al twee jaar het loon door en moeten zij zich inspannen voor de re-integratie van de zieke werknemer. Deze kritiek verstomde grotendeels toen UWV de betaalde transitievergoedingen ging compenseren. Werkgevers betaalden de kosten daardoor de facto niet meer zelf.
In het regeerakkoord van het kabinet Schoof was opgenomen dat deze compensatieregeling zou worden beperkt tot “kleine werkgevers”. Dat ben je alleen als je minder dan 25 werknemers hebt. De compensatieregeling zou dus vervallen voor vrijwel alle onderwijswerkgevers. Op 18 juni 2025 werd het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State gestuurd. De afdeling advisering was in september 2025 kritisch over het wetsvoorstel. De afdeling vond dat het “voorstel alsnog een fundamentele belangenafweging vergt van de kwetsbare situatie van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer en de meerjarige verplichtingen van de werkgever bij ziekte, mede in het licht van het bredere arbeidsmarktbeleid”. De Afdeling leek te vinden dat met de loondoorbetaling van twee jaar, de re-integratie in die periode en de daaropvolgende WIA-uitkering al is voldaan aan de doelstellingen van de transitievergoeding.
Voor deze benadering kwam zeer recent steun in het veelbesproken Rapport Wennink. Daarin wordt onder meer vastgesteld dat “Nederland (…) een Europese uitschieter (is) in het doorbetalen bij ziekte: waar in landen als Zweden, België en Duitsland werkgevers slechts twee tot zes weken verantwoordelijk zijn voor loondoorbetaling, en daarna de overheid deze verantwoordelijkheid draagt, is dat in Nederland twee jaar.” Daarnaast wees de Afdeling op nog een aantal andere bezwaren, zoals het duurder worden van het vaste contract en het risico dat werkgevers dienstverbanden opnieuw slapend zullen willen houden.
Het is algemeen bekend dat het Kabinet Schoof bijna niets voor elkaar krijgt. Gezien de adviezen van zowel de Raad van State als van Wennink had het zeer voor de hand gelegen om in dit dossier ook maar even niets te doen. Maar helaas heeft de Minister van Sociale Zaken zich niets van het advies van de Raad van State aangetrokken en het wetsvoorstel op 5 december 2025 vrijwel ongewijzigd naar de Tweede Kamer gestuurd. De suggestie van de Raad van State om de aanspraak op transitievergoeding bij arbeidsongeschiktheid ter discussie te stellen wordt met enkele doelredeneringen aan de kant geschoven. Ook de onderwijswerkgever gaat dus met ingang van 1 juli 2026 gewoon de transitievergoeding aan de arbeidsongeschikte werknemer betalen.

