Hoge Raad perkt vrijstelling leerplicht in

De Hoge Raad heeft in april 2026 de voorwaarden voor vrijstelling van de leerplicht wegens richtingsbezwaren aanzienlijk aangescherpt. Voortaan geldt dat ouders alleen nog in een uitzonderlijke geval een beroep kunnen doen op de vrijstelling van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 wanneer er binnen redelijke afstand een openbare school beschikbaar is. Het recht van het kind op onderwijs weegt daarbij zwaarder dan de wens van ouders om uitsluitend onderwijs te kiezen dat aansluit bij hun levensbeschouwing. In de zaak in kwestie deden ouders een beroep op artikel 5 onder b omdat zij vanuit de Islamitische mystieke stroming Tasawwuf bezwaren hadden tegen alle scholen in hun omgeving. Het hof erkende dat hun bezwaren tegen andere islamitische en tegen christelijke, joodse en antroposofische scholen voldoende concreet en zwaarwegend waren, maar wees de vrijstelling af omdat de bezwaren tegen het openbaar onderwijs onvoldoende waren onderbouwd.

De Hoge Raad bevestigt de drie bestaande voorwaarden voor richting bezwaren:

  • zij moeten voortkomen uit een welbepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging

  • zij moeten betrekking hebben op de richting van het onderwijs;

  • zij moeten concreet en zwaarwegend zijn en verband houden met het onderwijs dat een school biedt.

Vooral de invulling van de derde voorwaarde is nieuw. Bezwaren tegen openbaar onderwijs slagen niet wanneer zij uitsluitend zijn gericht tegen de levensbeschouwelijke neutraliteit van die school. Alleen als ouders aannemelijk maken dat het openbaar onderwijs niet objectief, kritisch en pluralistisch omgaat met godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke onderwerpen, kan nog sprake zijn van een geldige vrijstellingsgrond.

Met dit arrest verschuift de kwestie nadrukkelijk naar het recht op onderwijs van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij op artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. En dan met name de zogenaamde Folgerø-zaak. De Staat heeft volgens de Hoge Raad een verplichting om de Leerplichtwet actief te handhaven wanneer een kind verstoten dreigt te raken van onderwijs. Het arrest maakt een succesvol beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaren tegen openbaar onderwijs nog slechts in uitzonderlijke situaties mogelijk. De enkele wens dat onderwijs volledig aansluit bij de eigen geloofs- of levensovertuiging is daarvoor niet langer voldoende. Ouders zullen concreet moeten aantonen dat het openbaar onderwijs de vereiste objectieve, kritische en pluralistische benadering mist.

Job Keijser van ons kantoor heeft op 17 september 2026 een lunchlezing verzorgd voor de Vereniging van Onderwijsrecht. De presentatie die hij daarbij gebruikte vindt u hier. Job is vooral kritisch op het feit dat de Hoge Raad teveel op de stoel van de wetgever gaat zitten. Begrijpelijk wellicht omdat de politiek het erbij laat zitten, maar daarom nog niet per se in overeenstemming met de machtene

Vorige
Vorige

Advies bedrijfsarts leidend bij RIV-toets: nieuw wetsvoorstel

Volgende
Volgende

Risico’s bij niet verlengen tijdelijk dienstverband